Menu

“Ik was altijd eropuit vooruit te lopen. Waar andere mensen aarzelden, was ik al aan de gang”, vertelt de inmiddels 97-jarige Jac. Linssen. Deze enorme drive om continu te innoveren hielp hem roerige tijden te doorstaan en een roemrijke jachtwerf op te bouwen.

Een interview met de grondlegger van Linssen Yachts.

Jos Linssen


Stormen trotserend varen naar de toekomst

“Zo Jac., laat nu maar eens zien wat je ervan terechtbrengt”, zei Jac. Linssen tegen zichzelf toen hij op 1 april 1949 de sleutel in het slot stak van zijn eigen timmerbedrijfje. Veel tijd om er verder over na te denken had hij niet, want prompt gooide een buurman zijn tuinpoort op de binnenplaats. Of Jac. Linssen die even kon repareren voor hem? Het begin was gemaakt van wat later zou uitgroeien tot een jachtwerf van formaat, Linssen Yachts. 

Een bedrijf dat met name door passie en volharding is ontstaan, zo blijkt wel uit de jaren voor die 1e april in 1949. Want zijn moeder wilde perse dat Jac. Linssen boer zou worden. Een opvolger van zijn vader, want zijn ouders waren doorgewinterde agrariërs die heel hun ziel en zaligheid staken in het boerenbedrijf. Maar Jac. Linssen had hier geen zin in. “Dat wist ik al op de lagere school, toen ik zes jaar oud was”, vertelt hij. “Ik wilde graag tekenen.” Na de lagere school werd zijn idee concreter. Hij wilde huizen tekenen, architect worden. Echter, daar zou niets van inkomen, want moeder Linssen wilde perse dat Jac. Linssen naar de Landbouwschool zou gaan. “Toen was ik voor het eerst zeer ongehoorzaam en zei tegen haar: ‘Daar ga ik niet heen.’ ‘Dan word je maar boer zonder Landbouwschool’, zei moeder.”
Twee jaar lang heeft Jac. Linssen tegen zijn zin op de boerderij gewerkt, want als veertien-, vijftienjarige kon hij niet anders. Maar na die twee jaar was de boot aan voor hem. Gelukkig stond vader Linssen inmiddels achter de keuze van zijn zoon en na veel aandringen zei hij dat Jac. dan maar ander werk moest zoeken. “Dat was niet gemakkelijk. Het was begin jaren dertig, het was crisis. Maar ik had mijn plan gemaakt. Ik wilde architect worden, desnoods in de bouw werken, want daar wordt getekend, daar worden huizen gebouwd.” Jac. Linssen kwam terecht bij timmerman Sef Hanne die hem de kneepjes van het vak leerde. Hij begon als ‘krullenjongen’, maar al heel snel maakte hij werkstukken die anderen na drie jaar houtbewerking nog niet in de vingers hadden.
Op 6 december 1937 trad Jac. Linssen in dienst bij het bedrijf Tinnemans-Houben (gerund door de pleeg- en schoonzoon van zijn mentor Sef Hanne), een firma gericht op metaal, techniek en houtbewerking. Die dag liep Jac. Linssen voor de eerste keer over een loopplank naar een schip. Een vloertje leggen, een spantje repareren… Zo kwam Jac. Linssen al heel vroeg in contact met scheepsinterieurbouw. Echter, al na een jaar splitste het bedrijf zich en Jac. Linssen ging in eerste instantie mee in het bedrijf van Tinnemans, want dat richtte zich voornamelijk op houtbewerking. Firma Houben ging zich meer bezighouden met metaalwerk.

Tweede Wereldoorlog

Toen Jac. Linssen achttien jaar was, brak de Tweede Wereldoorlog uit en op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Een van de getroffen boten voer na het bombardement naar Maasbracht om de volledig uitgebrande kajuit opnieuw te laten betimmeren. Een mooie klus voor Jac. Linssen, dacht zijn baas, maar er zat wel een voorwaarde aan: de nieuwe kajuit moest in zes weken tijd klaar zijn. “De schipper zei tegen mij: ‘Als je dat klaar krijgt, krijg je van mijn 10 gulden fooi.’ Dat was toen heel veel geld. Voor 15 gulden kocht je in die tijd een fiets”, herinnert Jac. Linssen zich. Zelf verdiende hij toen 3,50 gulden per week. “Ik snap nog steeds niet hoe ik het klaar heb gekregen. Twee kleine slaapkamers, een trap, wandkasten, een keukentje…, maar na zes weken haalde ik mijn gereedschappen van boord. Het werk was klaar.”
Kortom, Jac. Linssen was heel jong al een goede vakman. Toch ging hij vier jaar lang ’s avonds na het werk met de fiets naar Echt naar de Nijverheidsschool, afdeling bouwkundig tekenen, want hij wilde nog altijd architect worden. Later schoof hij ’s avonds ook nog aan op de Handelsschool.

Schepenkerkhof

Zeven maanden voor de bevrijding van Maasbracht gaven de terugtrekkende Duitsers het bevel dat alle opvarenden van de 240 schepen die op dat moment in de haven lagen, moesten vertrekken. Een dag later, op 30 september 1944, zag Jac. Linssen met eigen ogen hoe de binnenvaartschepen één voor één met dynamiet werden opgeblazen en zonken. De schippersfamilies stonden op straat en de Maasbrachtse haven veranderde in een groot schepenkerkhof.
Op 24 januari 1945, op Jacs 23e verjaardag, werd Maasbracht bevrijd. Niet lang daarna kwam zijn oude werkgever Sieb Houben naar Jac. Linssen toe en vroeg of hij leiding wilde geven aan de grote bergingsploeg van het schepenkerkhof. Alle wrakken moesten worden geruimd. Jac. Linssen kan het zich nog goed herinneren: “‘Ik heb je nodig’, zei Houben. ‘Jij weet alles van schepen, kent de mentaliteit van de schippers en kunt met hen omgaan. Ook kun je waardes inschatten en beoordelen of het hout nog te redden is of dat het toch door het water bedorven is.’” Uiteindelijk werden 165 van 240 schepen onder zijn leiding gerepareerd en opnieuw opgebouwd.

Machinale Houtbewerking St. Jozef

In 1948 stopte Houben met de scheepsreparatie, de firma ging verder met het maken van ketels. Dat was het moment voor Jac. Linssen om voor zichzelf te beginnen. Het idee om architect te worden was overruled door het vak waarin hij de afgelopen jaren, mede door het schepenkerkhof, eigenlijk vanzelf was ingerold. Zijn echtgenote Anneke, met wie hij in 1948 was getrouwd, steunde hem volledig in zijn plan. “Anneke stond voor me, stond naast me en vooral achter me”, zegt Jac. Linssen. En van zijn schoonvader mocht hij de leegstaande schuur naast het huis gebruiken. Dus ging op 1 april 1949 de sleutel in het slot van zijn eigen bedrijf, genaamd Machinale Houtbewerking St. Jozef.
Het begin was niet gemakkelijk, zegt Jac. Linssen zelf. Want in eerste instantie kreeg hij veel tegenwerking van eigenaren van de omliggende bedrijven, die in Jac. Linssen als meubelmaker en scheepsinterieurbouwer een grote concurrent zagen.

Jac. Linssen pakte alles aan wat zich voordeed: een poortje in de tuin of een houten garage voor de buurman. En al snel doken de eerste schippers op. Hij kan zich de eerste nog goed herinneren. “Schipper Ter Velden. Voor hem maakte ik een nieuwe stuurhut. Natuurlijk net iets mooier, beetje verfijnder dan hij had gehad.” Deze schipper was zo blij met het resultaat dat hij later nog drie collega-schippers naar Jac. Linssen stuurde voor nieuwe teakhouten stuurhutten.
Na drie jaar was Jac. Linssen al uit de loods van zijn schoonvader gegroeid en bouwde hij achter zijn eigen woonhuis (dat overigens naast dat van zijn schoonouders lag) een nieuw ‘fabriekske’. Maar die eerste helpende hand is Jac. Linssen nooit vergeten: “Mijn schoonvader heeft mij met zijn loods zo goed op weg geholpen, dat ik later ‘het mooiste timmerfabriekje van Zuid-Nederland’ kon oprichten.”

Stuurwielen

De ene na de andere schipper klopte bij Machinale Houtbewerking St. Jozef aan. Er ontstond zelfs een wachtlijst. Maar de meeste schippers wachtten rustig af, voeren door tot ze aan de beurt waren, want ze wilden per se zo’n mooie stuurhut van St. Jozef. Voor al die stuurhutten had Jac. Linssen natuurlijk veel teakhout nodig. “Dat kocht ik op grote schaal rechtstreeks in bij de importeur Maatschappij de Fijnhouthandel in Amsterdam, tachtig stammen teakhout voor tienduizenden guldens. De houthandel leverde mij op afroep twee à drie stammen, op 31 millimeter dikte gezaagd, precies zoals ik ze wilde hebben.”
Natuurlijk bleven van die grote planken teak vele resten over. Echter, Jac. Linssen verbood zijn personeel om dit dure hout in de kachel te gooien. “Ik was niet zuinig waar ik royaal moest zijn, maar vooral ook was ik niet royaal waar ik zuinig kon zijn. Ik had er een hekel aan om goed materiaal weg te gooien.” Maar wat doe je met zo veel kleine stukken teak? Daar ga ik stuurwielen van maken, bedacht Jac. Linssen. Een stuurwiel bestaat uit vele kleine segmenten, waarvoor hij het ‘afvalhout’ nog perfect kon gebruiken. Veel vakgenoten en schippers verklaarden hem voor gek. Er waren immers maar twee firma’s in Nederland die stuurwielen konden maken, namelijk firma Koets in Hoogezand en Van der Staay in Ridderkerk, en zij deden dat al bijna honderd jaar. “Nou, ik ga dat ook nog honderd jaar doen”, zei Jac. Linssen beslist als er weer eens een schipper zijn vraagtekens had bij zijn idee. En na uren tekenen, passen, meten, boren, zagen, timmeren en schuren was zijn eerste stuurwiel af. Zijn ontwerp met de gepatenteerde naaf was zo robuust dat het in Belgisch-Kongo de naam kreeg ‘het enige tropen­bestendige stuurwiel dat er bestaat’. “Door de hitte en de droogte werden andere stuurwielen snel gammel, maar dat van mij kon telkens bijgesteld worden.” Jac. Linssen had namelijk een gietijzeren naaf uit twee delen ontwikkeld, waarin niet alleen elke spaak werd vastgeschroefd, maar tussen alle spaken ook nog spieën met bouten door de naaf heen werden bevestigd. Als er al iets losraakte, kon het altijd met een sleutel weer aangedraaid worden.

Uiteindelijk konden uit het ‘afvalhout’ van twintig stuurhutten zes tot tien stuurwielen worden gemaakt. Deze manier van werken bespaarde een hoop geld. Daarbij nam de verkoop uiteindelijk zo’n vlucht dat Jac. Linssen op grote schaal stuurwielen moest gaan maken. “We moesten zelfs uit grote planken teakhout stukken zagen om alle stuurwielen te kunnen maken. Het kleine hout was simpelweg op, maar wel… bestééd op!”
Bijzonder is natuurlijk dat zelfs het koninklijke schip de Groene Draeck een stuurwiel van de hand van Jac. Linssen heeft. “Dat heb ik geschonken ter ere van de achttiende verjaardag van prinses Beatrix. Koning Willem-Alexander stuurt er nu nog mee.”

Bunkerhaven

In de eerste helft van de jaren vijftig was Jac. Linssen al zo ver dat hij totale scheepsreparaties kon verrichten. Uitbreiding was dus hard nodig en daarvoor werd aan de Bunkerhaven in Maasbracht een tijdelijke vestiging gerealiseerd, met hout- én metaalbewerking. “Daar zijn we ook roeiboten gaan maken en het eerste houten speedbootje”, zegt Jac. Linssen. De eerste echte schreden van het toekomstige Linssen Yachts waren gezet. In 1957 volgden de eerste motorjachten, natuurlijk ontworpen door Jac. Linssen zelf: de St. Jozefvlet 500, 600 en 700.

Industriehaven

Ondertussen werd de Industriehaven in Maasbracht gerealiseerd en bouwde Jac. Linssen daar een nieuw scheepsreparatiebedrijf. “Ik was de eerste die op het nieuwe industrieterrein een fabriek opende, net zoals ik de eerste was die na de oorlog een nieuw woonhuis bouwde in Maasbracht. Ik was altijd eropuit vooruit te lopen. Waar andere mensen aarzelden, was ik al aan de gang.” Jac. Linssen moest in de haven zelf nog de beschoeiing maken en de oever zo prepareren dat er schepen konden aanleggen. Hier, aan de Industriehaven, begon Jac. Linssen met het seriematig bouwen van jachten. “Ik had er telkens twee in de showroom liggen en vijf of zes in aanbouw. Er was veel belangstelling voor.”
In 1964 ontwikkelde Jac. Linssen de eerste kruisers: de Limburgia-serie. Eerst van 8,30 meter lang, op verzoek van klanten werd dat later 8,50 meter en vervolgens 8,90 meter.
Maar in 1966 kreeg Jac. Linssen de schrik van zijn leven. De nieuwe regering ging de belasting op pleziervaartuigen verhogen van 4 naar maar liefst 18 procent. “Ik keek naar de miljoenennota op tv met schrik om het hart. Tijdens het eten belden al twee klanten op om hun boot af te bestellen. De belasting ging met 14 procent omhoog. Een enorm bedrag. Later die week bestelden nog eens zes klanten hun boot af. Ik geloof dat ik er veertien in bestelling had. Meer dan de helft werd afbesteld.” Dat was ook de eerste keer dat Jac. Linssen een aantal goede vaklieden moest ontslaan. Met pijn in zijn hart. Meer klanten meldden zich om hun boot af te bestellen, maar met hen kon Jac. Linssen een regeling treffen. Hij zou de helft van de 14 procent extra belasting voor zijn rekening nemen. “Daarmee heb ik veel kunnen redden. Helaas ben ik toen wel goed personeel kwijtgeraakt.” Na flinke protesten van de brancheorganisatie Hiswa en jachthavenverenigingen werd de regeling later versoepeld; de motor, de inventaris en alles wat niet aan de boot vastzat, vielen buiten de belastingmaatregel. Toch heeft de slapte in de botenverkoop een paar jaar geduurd. Met het maken van interieurs, onder meer voor winkels en bedrijven, wist Jac. Linssen het hoofd boven water te houden. Er kwam zelfs een aantal vaklieden terug.

Zoon Jos Linssen

In 1968 kreeg Jac. Linssen er een goede kracht erbij. Zijn oudste zoon Jos kwam in het bedrijf. In eerste instantie hielden vader en zoon vast aan de basis van het bedrijf: scheepsreparatie. Later ontstond er echter weer zo veel belangstelling voor pleziervaartuigen dat Jos Linssen op een dag de vraag stelde: ‘Moeten we niet een keuze maken?’ De twee bedrijfsonderdelen waren namelijk zo verschillend; in fijnheid, bouw, gewicht… “Als je aan een zwart smerig binnenvaartschip aan het lassen bent, kan het ernaast gelegen nieuwe, fijn geschilderde jacht zomaar beschadigd raken”, vertelt Jac. Linssen, die ook inzag dat het zo niet langer kon. In 1970 werd dan ook de switch gemaakt en richtten Jac. en Jos Linssen zich volledig op de jachtbouw.
Echter, niet lang daarna brak de oliecrisis uit en alweer zakte de markt volledig in. “Premier Joop den Uil verkondigde op tv: ‘Het wordt nooit meer zoals voorheen.’ Gordijnen dicht, verwarming laag en de brandstof op de bon, was het credo. Tja, dan mag je ook niet meer met een boot varen… We hoeven nooit meer boten te maken, dachten wij.” Uit absolute noodzaak is het bedrijf toen weer teruggevallen op scheepsreparatie. “We gingen de klanten, die we een aantal jaren eerder bedankt hadden, weer opzoeken. Maar we kregen ook nieuwe klanten. Jos ging het hele land door om schippers te vragen om klussen.”

Crisis voorbij

Maar op een dag kwamen er toch weer mensen naar een nieuwe boot kijken. Gelukkig hadden Jac. en Jos Linssen nog een Limburgia staan, dus daar konden ze direct mee proefvaren en de boot werd meteen verkocht.
Het bedrijf begon weer voorzichtig op te bloeien en toen Jac. en Anneke Linssen op een dag thuis kwamen van een vakantie in Friesland, had Jos zes nieuwe vletten getekend. “‘De crisis is voorbij, we moeten toch wat te doen hebben’, zei Jos tegen mij. Ongelooflijk hoe dat toen gelopen is”, zegt Jac. Linssen nu.
Inmiddels kwam ook zonen Jan en Peter in het bedrijf. Jan ging een filiaal in de Noordoostpolder bestieren. Van hieruit konden toeristen gemakkelijk richting Friesland varen, had Jac. Linssen bedacht. Na vijf jaar zat er echter nog geen schot in de zaak. Zo was naar Friesland varen op een vrije zondag onmogelijk omdat in deze streek op zondag de sluizen niet werden bediend. Jan is toen dan ook teruggekeerd naar Maasbracht.
Ook zoon Harry was inmiddels binnengehaald en stortte zich in eerste instantie op de productie van de stuurwielen. Maar omdat de hydraulische stuurinrichting in opkomst was, nam de vraag naar stuurwielen af. Het stuurwiel werd een exclusief product. En Linssen had inmiddels zo veel continuïteit in de jachtbouw, dat het meer een last werd. “Jos vertelde mij op een dag dat hij zou stoppen met het maken van de stuurwielen. Ik snapte het wel. Maar ik vond het wel erg jammer, want niemand kon betere maken.” Harry was toen inmiddels zover ingewerkt dat hij op elke plek binnen het bedrijf ingezet kon worden.
Overdracht
In 1975 nam Jos Linssen het roer over. Bij de overdracht werkten er 35 tot 40 man personeel. St. Jozef was toen een van de grotere bedrijven van Maasbracht. “Ik had nooit kunnen vermoeden dat dit het uiteindelijk zou worden”, zegt Jac. Linssen. “Ik heb altijd gestreefd naar een bedrijf met zes à zeven man personeel, waarin ik zelf met de stofjas rondliep en meehielp.” Die stofjas heeft Jac. Linsen evengoed lang gedragen. Hij liep altijd de helft van de tijd in de fabriek rond en de helft van de tijd verbleef hij in de tekenkamer. “Zelfs mijn oude mentor Hanne nam op een dag de pet voor mij af en zei tegen mij: ‘Jij hebt het ver geschopt.’ Maar de grootste schwung aan de groei en uitbreiding van het bedrijf tot wat het nu is, is echt de prestatie van Jos. Lof! Dat doet niemand hem na”, zegt Jac. Linssen tot slot.

Ga naar boven